de flag go to the original language article
This article has been translated by Artificial Intelligence (AI). The news agency is not responsible for the content of the translated article. The original was published by APA.

Luxemburg (APA) – De bepalingen van het Oostenrijkse recht over de aansprakelijkheid van rechtspersonen voor inbreuken op antiwitwasregels en over vastgelegde verjaringstermijnen zijn volgens een arrest van het Europees Hof van Justitie (HvJ-EU) slechts gedeeltelijk verenigbaar met het EU-recht. Voor de verjaringstermijnen ziet het Hof geen tegenstrijdigheden met de EU-richtlijn ter bestrijding van witwassen, maar voor de aansprakelijkheid van rechtspersonen wel, zo staat donderdag in het arrest (zaak C 291/24).

Achtergrond van het arrest is dat de Oostenrijkse financiële markttoezichthouder (FMA) een sanctie had opgelegd aan de Steiermärkische Bank und Sparkassen AG wegens schending van zorgvuldigheidsplichten. De Steiermärkische Bank stelde daarop samen met twee natuurlijke personen beroep in bij het Oostenrijkse Bundesverwaltungsgericht (BVwG).

Het Oostenrijkse Bundesverwaltungsgericht twijfelde of de in de Finanzmarkt-Geldwäschegesetz vastgelegde vereisten, die de aansprakelijkheid van een rechtspersoon koppelen aan de aansprakelijkheid van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, in strijd zijn met EU-regels ter bestrijding van witwassen. Daarnaast was het onzeker of de in de Finanzmarkt-Geldwäschegesetz vastgelegde verjaringstermijnen verenigbaar zijn met het Unierecht.

Aansprakelijkheidsbepalingen voor rechtspersonen in strijd met EU-recht

Het HvJ-EU is van oordeel dat in het geval van een inbreuk door een rechtspersoon niet noodzakelijk vereist is dat een natuurlijke persoon vooraf formeel de procespositie van verdachte krijgt toegekend. In het arrest staat: “Integendeel, de verantwoordelijkheid van natuurlijke personen naar nationaal recht is slechts accessoir en vult de verantwoordelijkheid van de betrokken rechtspersoon aan.” Ook hoeft de natuurlijke persoon niet met name als verantwoordelijke te worden genoemd. De nationale wet is daarmee in strijd met de EU-richtlijn.

De beslissing gaat in tegen de conclusie van advocaat-generaal Tamara Ćapeta. Zij had in juli 2025 nog geen tegenstrijdigheid gezien tussen de nationale bepalingen en het Unierecht.

Geen problemen ziet het HvJ-EU daarentegen met de in het Oostenrijkse recht vastgelegde verjaringstermijnen. Het nationale recht voorziet in een verjaring van de vervolging van drie jaar na het einde van de inbreuk en in een verjaring van de strafbaarheid na vijf jaar. (29.01.2026)